Leren corrigeren

Titel

Leren corrigeren

 

Niveau

2 hoofdfase

 

Competentie(s)

 3 vakinhoudelijk/vakdidactisch

 

Beroepstaak

-

 

Studiebelastingsuren

4

 

Geschikt voor de volgende vakken

Maatschappijvakken

 

Aansluitend bij de volgende onderwijseenheid

-

 

Auteur

PTR

 

Relevantie/Kader

Herkennen en beoordelen van verschillen tussen ‘bedoelde’ antwoorden en ‘geformuleerde’ antwoorden door leerlingen bij toetsen waarbij de nadruk ligt op inzichtvragen. D.w.z open vragen dan wel rekenvragen.

 

Omschrijving/Instructie

1.       In overleg met je SPD/ABS kies je een docent die zijn te corrigeren toetsen beschikbaar wil stellen.

2.       Met de docent stel je een puntentelling voor het correctiemodel op.

3.       Je corrigeert zelfstandig de toets.

4.       Schrijf een verslag waarin je per toetsvraag moeilijk te beoordelen antwoorden van leerlingen citeert en uitlegt waarom je tot welke beoordeling gekomen bent.

5.       Bespreek de resultaten met de docent.

 

Resultaatverwachting

De student schrijft een verslag waarin tenminste besproken wordt:

-          verschillen tussen ‘bedoelde’ antwoorden’ en ‘geformuleerde’ antwoorden.

-          de afweging die de student maakt bij het corrigeren van de betreffende antwoorden van leerlingen. De vraag “Welk doel dient de correctie?” staat daarbij centraal.

-          in het verslag worden voorbeelden antwoorden van leerlingen geciteerd om het besprokene te verduidelijken

de afwegingen die van belang zijn bij het opstellen van een puntentelling voor een toets. Weer staat de vraag “Welk doel dient de correctie?” centraal.

 

Beoordeling

Het eerste deel van de beoordeling bestaat uit de beoordeling van het verslag van de student . Het verslag wordt beoordeeld op de bij resultaatverwachting geformuleerde criteria.

Het tweede deel van de beoordeling bestaat uit een evaluatiegesprek met de docent die zijn toets beschikbaar heeft gesteld, waarin de student zijn verslag mondeling toelicht en antwoord kan geven op de centrale vraag.