De student verdiept zich in het fenomeen ‘directe instructie’ d.m.v.
theoretische voorbereiding en observatie van de verschillende manieren waarop
uitleg gegeven wordt tijdens de lessen. Door hierop te reflecteren vormt hij
zich een mogelijk beeld van de wijze waarop hij directe instructie zelf zou
aanpakken.
Voorbereiding
Lees eerst de onderstaande column van Egbert Fokkema (Onderwijsblad, 4
maart 2006)
In het vmbo staat en valt alles met uitleg. Je begint met een inleiding,
waarbij je aansluit bij het bekende. Daarna geef je stapje voor stapje uitleg
over het proces, waarbij je steeds door middel van vragen controleert of de
stof is begrepen. De klas luistert en probeert aandachtig te volgen wat je
zegt.
Niet dus. Zolang ik niet over mijn eigen schooltijd vertelde, kreeg ik
nooit de volledige aandacht. Misschien is dat omdat ik niet streng genoeg ben,
of omdat ik niet in deze vorm van uitleg geloof. Kinderen zijn net honden wat
dat betreft: ze voelen dat meteen. Bovendien is het niet leuk om te luisteren
naar iemand die je allerlei problemen voorlegt die je niet hebt! Die problemen
beginnen pas als je aan het werk gaat. Daar wil je van tevoren helemaal niks
over horen. Kinderen zijn van nature optimistisch, dus ze gaan ervan uit dat
zij dat probleem niet krijgen. Dus die uitleg is niet voor hen bedoeld.
Ik had dan ook altijd veel meer energie nodig om leerlingen bij de les te
houden, dan dat de uitleg zelf me kostte. En als ik terugdenk aan recente
studiedagen waar de ene spreker de andere aflost, ach, dan was ik ook niet
voortdurend een en al oor.
Behalve dan die ene keer, toen een spreker vertelde dat 90 procent
verloren gaat van alles wat je mensen vertelt. Van wat mensen lezen, was het
minder, maar dat percentage ben ik vergeten. Die 90 procent, dat hield me
bezig! Ik zat er de rest van de studiedag op te broeden. Ik was verbaasd dat
niet al mijn collega's in huilen uitbarstten of in gewetensnood raakten, dat ze
maar voor 10 procent functioneerden! Welke baas houdt een werknemer aan, die
maar voor 10 procent presteert? Maar ik denk dat deze gegevens nog niet tot het
ministerie van Onderwijs zijn doorgedrongen. Te druk met vernieuwen,
veronderstel ik.
Als gevolg van de studiedag heb ik besloten mijn lesgeven drastisch te
veranderen. Een kleine inleiding tot de stof en dan aan het werk. Als de
problemen ontstaan, is het niet langer mijn probleem om het uitgelegd te
krijgen, maar hun probleem om het opgelost te krijgen. Ze komen nu naar me toe
en door middel van vragen stellen, laat ik ze het antwoord vinden. Oude
wijsheid, maar wel effectief en bovendien kun je ze meegeven dat ze het
antwoord dus eigenlijk al wisten. Menig leerling vertrekt met een glimlach om
de mond van mijn tafel. Toegegeven, je legt de dingen vaker dan één keer uit.
Maar ach, dat gebeurt toch ook als je het klassikaal doet?
Ik ben dik tevreden met deze methode en het verbaasde me dan ook, toen een
collega aan het begin van het jaar bij me kwam met de klacht van zijn
mentorklas, dat ik nooit wat uitlegde. Natuurlijk had ik die klas verteld dat
ik niet klassikaal uitlegde en dat ze moesten komen als ze iets niet begrepen.
Dat had ik klassikaal gedaan, dus maar 10 procent kwam over. Maar ja, leg dat
maar eens uit.
Lees vervolgens het onderdeel ‘directe instructie’ uit Effectief leren
(Ebbens en Ettekoven), en zorg dat je een goed overzicht hebt van de
verschillende elementen daarvan.
Uitvoering
- Zorg dat je bij vier
verschillende docenten een les kunt observeren waarin een deel directe
instructie/uitleg gegeven wordt, Je kunt hiervoor dezelfde klas bij diverse
lessen (van verschillende docenten) observeren, verschillende docenten van één
vak observeren, verschillende docenten bij één klas, of verschillende klassen
bij verschillende docenten.
- Beschrijf voor elke
geobserveerde les:
• op welk moment de uitleg
gegeven wordt,
• op wat voor wijze uitleg
gegeven wordt,
• welke elementen van
´directe instructie´ uit Ebbens (Effectief leren) hierin terug te vinden zijn,
• welke leerling
activiteit(en) volgt/volgen op de uitleg, en
• of leerlingen vragen
stellen.
Een verslag met daarin:
- het overzicht van
vormen/elementen van directe instructie op basis van Ebbens en observatie;
- je eigen topdrie met
onderbouwing;
Het verslag wordt door je SPD beoordeeld. Hij/zij let er daarbij op of:
- je goed en zorgvuldig
verslag hebt gedaan van de lesobservaties;
- je een goed overzicht
hebt gemaakt op basis van de literatuur en observaties;
