B: Trainingstraject voor Schoolopleider

B.      Training voor Schoolopleider

 

Doel

Het professionaliseren van opleidingsdocenten in een opleidingsschool.

 

Doelgroep

Schoolopleiders, die de basiscursus Begeleidingsvaardigheden (en vervolgcursussen) hebben gevolgd  of  vergelijkbare competenties kunnen aantonen.

Zowel instituutsopleiders als schoolopleiders kunnen deelnemen aan deze cursus.

 

Toelichting

Opleidingsdocenten  kunnen een functie hebben in de begeleiding van a.s. docenten en beginnende docenten. Op termijn zouden ze ook een rol kunnen vervullen in de professionalisering van zittende docenten.

 

Omschrijving opzet traject “Opleiden in de school”

 

Resultaat

Na het traject hebben de opleidingsdocenten zicht op hun rol als opleider binnen de eigen school en hebben hun competenties als opleider verbreed en verdiept op basis van een persoonlijk ontwikkelingsplan. Uitgangspunt daarbij is het profiel Schoolopleider. (Velon /SRLo)

 

Plan van Aanpak

De training is gebaseerd op een aantal (opleidings)principes:

·      Elke individuele deelnemer aan het traject is bereid en in staat verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen ontwikkeling als opleider in de school.

·      Elke deelnemer krijgt een intakegesprek op basis van een door hem/haar geformuleerd POP. Daarmee wordt het individuele opleidingsplan per deelnemer vastgesteld, gerelateerd aan het gewenste profiel. De intakegesprekken worden uitgevoerd door de trainer-opleider van de capaciteitsgroep en steeds één deelnemer aan de cursus zelf.

·     De cursus heeft een procesgericht karakter, dat wil zeggen dat steeds de ontwikkeling van de deelnemer centraal staat tegen de achtergrond van het profiel van een opleidingsdocent. De direct leidinggevende wordt ingeschakeld bij het concretiseren en bewaken van dit opleidingsprofiel.

·      Collegiale consultatie maakt een integraal onderdeel uit van de cursus.

·      Deelname aan de cursus vereist een minimale deelname van 80%.

·      Van deelnemers wordt verwacht dat ze, naast de contacturen, tenminste eenzelfde hoeveelheid tijd beschikbaar hebben voor het bestuderen van literatuur, onderzoek binnen de eigen school en voorbereiding van (een deel van) de bijeenkomsten (totaal 80 studiebelastingsuren).

·      Deelnemers zijn feitelijk ingeschakeld als begeleiders van collega’s, cq. aanstaande docenten.

·       De cursus hanteert het dubbele bodemprincipe: deelnemers worden ingeschakeld als uitvoerder van (een deel van) het opleidingstraject.

Daarmee krijgt de cursus een train-de-trainer karakter.

 

In het begin vinden twee centrale bijeenkomsten plaats waarin samen met de cursisten gewerkt wordt aan:

a.      het aanpassen c.q. specificeren van het competentieprofiel voor deelnemers;

b.      het in kaart brengen van het leer- en opleidingspotentieel van de deelnemende school conform de kwaliteitsstandaard opleidingscholen;

c.       het op basis van het competentieprofiel, schoolprofiel en de leerbehoefte van de cursisten opstellen van een Persoonlijk OntwikkelingsPlan (POP).

d.      Dit POP wordt voorgelegd aan de direct leidinggevende, zodat de aansluiting met de schoolsituatie is gerealiseerd

 

Daarna wordt het leertraject  volgens het POP uitgevoerd.

 

Vormgeving opleidingstraject

Op basis van het competentieprofiel hebben de deelnemers hun leerdoelen en leervragen geformuleerd in de vorm van een Persoonlijk Opleidings Plan (POP).

In het traject komen tenminste drie thema’s aan de orde: begeleiden, opleiden (inclusief assessment) en beleid.  Die thema’s worden verder uitgewerkt in mogelijke onderwerpen; voorbeelden daarvan zijn: schoolorganisatie, verandermanagement, leertheorieën, groepsdynamica, het Vesit-model voor opleiden, conflicthantering, HRD en HRM, teamcoaching, kwaliteitszorg  e.d.

 

Het dubbele bodemprincipe vraagt dat wij van de deelnemers verwachten dat zij een rol spelen in de voorbereiding van (een deel van de) bijeenkomsten van de groep. Dat kan een rol zijn bij het verwerken van aangeboden literatuur, bij het leiden van collegiale consultaties of bij het aandragen van informatie over schoolspecifieke aspecten van het opleiderschap.

 

Halverwege  de cursus is er een tussenevaluatie, waarin samen met de deelnemers bepaald wordt, of de deelnemer een eindassessment zal doen met als grondslag het profiel schoolopleider (Velon/ SRLo). Mocht de deelnemer nog niet toe zijn aan het eindassessment, dan zal vastgesteld worden hoe het leertraject kan worden afgerond.

Er starten twee trajecten: een basis- en een vervolgcursus. Afhankelijk van eerdere scholing en/ of ervaring  worden kandidaten in een van beide trajecten geplaatst.

 

De VELON heeft op dit moment registratietrajecten voor “Schoolopleiders “.  De onderdelen van de training sluiten aan bij dit profiel. Voor de accreditatie als opleidingsschool is een certificering door het opleidingsinstituut voldoende. Velon-registratie is niet noodzakelijk.

Aan het einde van de cursus is er een assessment op basis van een door de deelnemer geproduceerd portfolio.

 

Consequenties voor de schoolorganisatie

Randvoorwaarde voor het bereiken van deze doelen is de ontwikkeling op scholen van een visie op de interne opleidingsinfrastructuur, zodat didactische, pedagogische en onderwijskundige ontwikkelingen via gerichte competentieontwikkeling kunnen worden begeleid door gekwalificeerde opleiders. Bovendien moeten de deelnemers door de school in de gelegenheid worden gesteld om collega’s, cq. a.s. docenten te begeleiden.

Tenslotte willen we graag de direct leidinggevenden inschakelen bij de vormgeving van het traject en de beoordeling van de kandidaten tegen de achtergrond van de gewenste competenties in de betreffende afdeling.

 

Data:  De training wordt uitgevoerd op woensdagmiddagen vanaf 13.00 uur, start in oktober 2011. Data  worden vastgesteld in overleg met de deelnemers.

 

Trainers:  Jan Smits, Annemieke van den Ing

 

Prijs:    € 1500,-- per deelnemer

Prijs van het assessment:  375,-- per deelnemer